Het hol van de steenmarter: dit is hoe het écht werkt

Een steenmarter hol bestaat eigenlijk niet in de traditionele zin van het woord. De steenmarter graaft geen hol en heeft geen vaste slaapplaats die hij consequent gebruikt. In plaats daarvan maakt hij gebruik van meerdere wisselende dagrustplaatsen binnen zijn territorium. Dat maakt het gedrag van de steenmarter lastig te voorspellen en zijn verblijfplaats moeilijk te vinden.

Wat is een steenmarter “hol” precies?

Waar je bij een konijn of vos denkt aan een gegraven hol in de grond, werkt een steenmarter anders. Hij kiest beschutte plekken op die hij tijdelijk benut als rustplek. Dat kan een schuur zijn, een ruimte onder een dak, een stapel hout, een rotsholte of de kruipruimte van een woning. De steenmarter maakt deze plek niet zelf aan, maar nestelt zich in wat er al is.

Technisch gezien spreek je bij een steenmarter beter van een rustplaats of schuilplek dan van een hol. Hij heeft meerdere van deze plekken tegelijk in gebruik en wisselt er regelmatig tussen af. Dat doen steenmarters uit voorzichtigheid: door niet altijd op dezelfde plek te slapen, verkleinen ze het risico om ontdekt te worden door vijanden of mensen die hen willen verjagen.

Waar kiest de steenmarter zijn rustplaats?

De steenmarter heeft een voorkeur voor gebouwen en menselijke infrastructuur. Dat onderscheidt hem van zijn neef de bosmarter, die veel meer in bossen leeft. Een steenmarter zoekt warmte, beschutting en rust, en vindt die vooral op de volgende plekken:

  • Kruipruimtes onder woningen
  • Spouwmuren en dakruimtes
  • Schuren, garages en stallen
  • Motorruimtes van auto’s (als tijdelijke schuilplek)
  • Stapels puin, hout of stenen
  • Rotsholten en steengroeven (in meer landelijk gebied)

De naam “steenmarter” verwijst dan ook direct naar deze voorkeur voor stenige en bebouwde omgevingen. In stedelijk en voorstedelijk gebied is hij een vertrouwde bewoner, al merkt de gemiddelde huiseigenaar dat pas als er schade ontstaat of er ’s nachts geluiden uit het dak komen.

Hoeveel rustplaatsen heeft een steenmarter?

Binnen zijn territorium gebruikt een steenmarter meerdere dagrustplaatsen, die hij afwisselt. Hoeveel dat er precies zijn, hangt af van de beschikbaarheid van geschikte plekken in zijn leefgebied. In een woonwijk met veel tuinen, schuren en kruipruimtes kan hij beschikken over een handvol vaste wisselplekken. Hij slaapt overdag en is ’s nachts actief, dus de rustplaats fungeert puur als slaapplek.

Hij brengt geen nestmateriaal mee zoals een vogel of muis dat doet. Soms gebruikt hij materiaal dat al aanwezig is, zoals dakisolatie of glaswol, maar dat is geen bewust nestbouwen. Eerder een kwestie van gelegenheid.

Wanneer kiest de steenmarter een vaste plek?

Er is één moment waarop de steenmarter wél meer gebonden is aan één locatie: de geboorte en opvoeding van de jongen. Een werpende moeder (teef) kiest een rustige, beschutte plek waar ze haar jongen werpt en een aantal weken opvoedt. Dit is de dichtste benadering van een “echt hol” die de steenmarter kent. De jongen worden doorgaans in het voorjaar geboren, ergens tussen april en juni. De teef blijft dan langer op dezelfde locatie dan ze normaal zou doen.

Buiten de worp- en zoogperiode is er geen binding aan één plek. De steenmarter trekt zijn eigen route binnen zijn territorium en slaapt waar het uitkomt.

Hoe herken je een steenmarter-rustplaats?

Als je vermoedt dat een steenmarter zich in of onder je woning heeft genesteld, zijn er een paar concrete aanwijzingen:

  • Uitwerpselen (langwerpig, gedraaid, met haarresten en vruchtpitten) op vaste plekken zoals balken of dakrandjes
  • Geluiden ’s nachts in het dak of de kruipruimte, zoals geloop of gekras
  • Aangevreten isolatiemateriaal of kabels
  • Vetvlekken langs smalle doorgangen, veroorzaakt door het vacht

Een steenmarter-rustplaats ziet er niet netjes aangelegd uit. Er is geen sprake van een keurig genesteld hol. Eerder een verstoord stukje isolatie of een hoekje achter een balk waar hij zich regelmatig ophoudt.

Wil je een steenmarter verjagen of uitsluiten, dan heeft het weinig zin om alleen die ene plek af te sluiten. Omdat hij meerdere wisselplekken gebruikt, zoekt hij bij afsluiting gewoon een alternatieve ingang of locatie. De aanpak vraagt om een bredere inspectie van het hele gebouw.